Bij het ombouwen van een bestelwagen tot camper en de keuring door de RDW moet de elektrische installatie voldoen aan de ECE R10-eisen.
Want tijdens de keuring van bestelwagen tot camper wordt het elektrische systeem gecontroleerd op basis van de ECE R10-certificering, die betrekking heeft op elektromagnetische compatibiliteit (EMC). Deze eis bestaat technisch gezien al langer, maar werd vóór 2025 in de praktijk vaak door de vingers gezien. Alleen dat is veranderd. Tegenwoordig besteden inspecteurs er aandacht aan, dus het is belangrijk om ervoor te zorgen dat de camper op dit punt niet wordt afgekeurd.
Inhoud:
- Waarom ECE R10 bestaat
- Wat valt onder ECE R10?
- RDW-inspectie in de praktijk
- R10-certificering herkennen
- Vaste versus verwijderbare apparatuur
- Wanneer componenten niet R10-gecertificeerd zijn
- Waarom handmatige oplossingen niet werken
- Onofficiële omwegen
- Van toepassing op alle voertuigen
- Schakelcircuit om niet-R10-gecertificeerde apparaten uit te schakelen tijdens het rijden
- Praktisch advies
- Meer inormatie over elektra in een camper
Waarom ECE R10 bestaat
ECE R10 betekent dat elektrische componenten geen elektromagnetische interferentie mogen veroorzaken in andere systemen en zelf ook bestand moeten zijn tegen interferentie. Met andere woorden, alle elektrische apparaten moeten naast elkaar kunnen werken zonder elkaar te storen door middel van elektromagnetische velden of signalen.
Aangezien elk elektrisch apparaat wel een zekere mate van elektromagnetisch veld genereert wanneer het is ingeschakeld. Want als een apparaat slecht is afgeschermd, kan het onbedoeld andere systemen beïnvloeden.
Dit is vooral belangrijk tijdens het rijden. Elektrische systemen mogen het voertuig dan ook nooit zodanig beïnvloeden dat er onveilige situaties ontstaan. Dit is nog belangrijker in moderne voertuigen, waar veel elektrische systemen met elkaar verbonden zijn, zoals via het CAN-busnetwerk, met name in elektrische voertuigen. Dit omvat cruciale systemen zoals de motor, airbags en deursloten. Interferentie in deze systemen is iets wat absoluut goed is om te vermijden.
Het geldt bovendien niet alleen voor grote componenten zoals omvormers maar ook voor de kleinere componenten.
Wat valt onder ECE R10?
In de praktijk is het van toepassing op alle elektrische en elektronische systemen die stroom gebruiken of signalen verwerken en vast in het voertuig zijn gemonteerd. Ongeacht hoe groot of hoe klein ook, dit omvat componenten zoals omvormers, laders, koelkasten, zonnepanelen, USB-stopcontacten, verlichting en dan met name LED verlichting en meer.
Het idee hierachter is de veiligheid. Want als elektrische systemen elkaar kunnen storen door elektromagnetische straling, kunnen ze elkaar verstoren of uitschakelen. Dit kan namelijk leiden tot foutcodes in de motor, onverwacht gedrag van voertuigsystemen of functies die onbedoeld aan- en uitschakelen. En dat wilt is natuurlijk niet de bedoeling.
Daarbij kan het ook de levensduur van componenten beïnvloeden. Aangezien continue interferentie ervoor kan zorgen dat elektrische apparaten sneller ‘slijten’, zelfs als ze de storing zelf niet direct veroorzaken.
Het voldoen aan ECE R10 certificering gaat dus niet alleen over het slagen voor de keuring, maar ook over de eigen veiligheid en de betrouwbaarheid van de elektrische systeem.
RDW-inspectie in de praktijk
De RDW controleert dus specifiek of elektrische apparaten storingen kunnen veroorzaken tijdens het rijden.
Daarom is het belangrijk om te controleren of componenten en apparaten ECE R10-gecertificeerd zijn. Want zo is de veiligste aanpak om ervoor te zorgen dat alles aan de eisen voldoet, zodat er geen problemen ontstaan tijdens de inspectie.
Zo is alleen in sommige gevallen de certificeringsmarkering na installatie niet meer zichtbaar. Om dus problemen te voorkomen, is het verstandig om vóór de installatie foto’s van de certificering te maken en alle documentatie te bewaren die de conformiteit bewijst. Aangezien dit onnodige discussies voorkomt tijdens de inspectie.
R10-certificering herkennen
Gelukkig zijn ECE R10-gecertificeerde componenten relatief gemakkelijk te herkennen. Ze hebben een “E”-markering met een nummer erachter dat het land aangeeft dat het heeft goedgekeurd, bijvoorbeeld E4 voor Nederland. Dit wordt gevolgd door “R10” of “10R” en een goedkeuringsnummer.
Soms staat deze informatie ook vermeld in de handleiding of productspecificaties.

Daarentegen is het belangrijk om te weten dat een CE-markering niet hetzelfde is als een ECE R10-certificering. Want als er geen E-keurmerk met R10 aanwezig is, voldoet het product over het algemeen niet aan de ECE R10-eisen.
Vaste versus verwijderbare apparatuur
Niet elk elektrisch apparaat hoeft gelukkig aan de R10-norm te voldoen, ook al is dat natuurlijk wel veiliger. Omdat de eis alleen geldt voor vaste / permanent geïnstalleerde elektrische apparatuur.
Een draagbare koelbox die zonder gereedschap kan worden verwijderd, hoeft bijvoorbeeld niet R10-gecertificeerd te zijn. Hetzelfde geldt voor elk elektrisch apparaat dat gemakkelijk uit het voertuig kan worden gehaald zonder gereedschap. Anders moet de zaklamp ook een ECE R10 certificering hebben.
Wanneer componenten niet R10-gecertificeerd zijn
Helaas zijn in de praktijk niet alle elektrische componenten die in campers worden gebruikt ECE R10-gecertificeerd. Maar gelukkig kunnen deze nog steeds worden geïnstalleerd, alleen zijn er wel voorwaarden aan verbonden. De niet ECE R10-gecertificeerde elektrische componenten moeten namelijk tijdens het rijden uitgeschakeld zijn en mogen tijdens het rijden niet ingeschakeld kunnen worden.
Dit betekent dat het simpelweg loskoppelen van een apparaat of het gebruik van een handmatige schakelaar niet voldoende is.
Een goede oplossing is om deze componenten automatisch uit te laten schakelen wanneer het voertuig wordt aangezet. Dit kan worden gedaan door een signaal van het elektrische systeem van het voertuig te gebruiken dat bijvoorbeeld een relais aanstuurt. Wanneer het voertuig dan aangaat, schakelt het relais de stroom naar die elektrische apparaten uit en houdt ze uitgeschakeld totdat het voertuig weer wordt uitgezet. Dit kan via het contactslot van het voertuig, of via de zekeringenkast. Waarbij via het contactslot makkelijker kan bij oudere voertuigen en via de zekeringenkast beter bij nieuwere voertuigen.
Het gebruik van bijvoorbeeld de handrem daarentegen als signaal is technisch mogelijk, maar niet betrouwbaar. Omdat als de handrem bijvoorbeeld tijdelijk wordt aangetrokken tijdens het rijden, zoals bij het wachten voor een spoorwegovergang, kan het systeem ervoor zorgen dat de elektrische apparaten worden ingeschakeld die juist uit moeten blijven. Het is dus nog onduidelijk of dit tijdens een keuring wordt geaccepteerd.
Daarom is het belangrijk om een geschikt signaal vanuit het voertuig te vinden. Waarbij in veel gevallen een signaaldraad vanuit de zekeringkast kan worden gebruikt om bijvoorbeeld een relais aan te sturen. De exacte oplossing hangt daarentegen af van het specifieke voertuig en vereist dan ook enig onderzoek.
Waarom handmatige oplossingen niet werken
Het simpelweg uittrekken van een stekker of het omzetten van een schakelaar wordt niet als voldoende beschouwd. Omdat het systeem zo ontworpen moet zijn, dat niet-gecertificeerde apparaten niet tijdens het rijden kunnen worden gebruikt zonder handmatige handelingen.
Onofficiële omwegen
Zo bestaat er ook een onofficiële methode waarbij niet-gecertificeerde componenten pas na de keuring worden geïnstalleerd. Hierdoor kan het voertuig de keuring doorstaan zonder te worden afgekeurd op basis van ECE R10. Hoewel dit echter is af te raden.
Want het druist in tegen het doel van de regelgeving, namelijk veiligheid. Daarbij kan het ook leiden tot problemen met de verzekering en de aansprakelijkheid in geval van schade. Hoe mooi en gemakkelijke de oplossing dus ook lijkt, het brengt dus reële risico’s met zich mee.
Van toepassing op alle voertuigen
Voor een voertuig, ongeacht de leeftijd, is de eis van toepassing tijdens de keuring. Alle geïnstalleerde elektrische apparatuur moet dan ook voldoen aan ECE R10 certificering of uit kunnen worden gezet als het voertuig aanstaat.
Schakelcircuit om niet-R10-gecertificeerde apparaten uit te schakelen tijdens het rijden
Voor elektrische componenten zonder ECE R10-certificering is er een praktische oplossing door het installeren van een schakelcircuit dat ze automatisch uitschakelt wanneer het voertuig aan staat.
Dit is niet alleen voor 12V- en 24V-gelijkstroomsystemen, maar ook voor 230V-wisselstroomapparaten, hoewel dat een iets andere configuratie vereist, dat later wordt uitgelegd.
Voor de 12V- en 24V-systemen kan dit worden gedaan met een relais of een Victron Smart Battery Protect in combinatie met een relais. In de meeste gevallen is daarbij een relais de eenvoudigste en meest kosteneffectieve oplossing. Aangezien een relais aanzienlijk goedkoper is dan een Victron Smart Battery Protect en vaak gemakkelijker te integreren.
Echter een Victron Smart Battery Protect wordt doorgaans gebruikt om te voorkomen dat de huishoudaccu volledig ontladen raakt, waarop dan zowel ECE R10-gecertificeerde als niet-gecertificeerde apparaten op worden aangesloten. Evenwel is het dan mogelijk om twee Smart Battery Protect-units te gebruiken, één voor gecertificeerde apparaten en één voor niet-gecertificeerde apparaten. Alleen is dit meestal onnodig en relatief duur, aangezien de meeste campersystemen niet zoveel stroom verbruiken.
Een meer praktische opstelling is dan om één Smart Battery Protect te gebruiken voor de accubeveiliging en daar een relais achter te plaatsen om alleen de apparaten te bedienen die geen ECE R10-certificering hebben. Enkel als er geen accubeveiliging nodig is, is een relais alleen voldoende om de niet-gecertificeerde apparaten te schakelen.
Daarbij wordt in de opstelling met de relais of de Smart Battery Protect deze vóór een zekeringkast geplaatst die de stroom verdeelt naar de afzonderlijke niet-gecertificeerde apparaten. Naast die opstelling wordt dan een aparte zekeringkast gebruikt voor de elektrische apparaten die wel ECE R10-gecertificeerd zijn, zodat ze actief kunnen blijven tijdens het rijden.
Het schakelsignaal vinden en aansluiten
Om de elektrische apparaten zonder ECE R10 certificering automatisch uit te schakelen wanneer het voertuig aan is, is een signaal van het voertuig zelf nodig. Dit signaal wordt ook weleens Ignition Live Signaal of een D+-signaal genoemd, afhankelijk van het voertuig en de context. Dit signaal is in feite een kleine spanning die actief wordt wanneer het voertuig met het contact aan staat of de motor aanstaat.
In veel voertuigen is dit signaal doorgaans gekoppeld aan de contactslot waar de sleutel in moet om ook de motor te kunnen starten. Dat betekent dat het signaal mogelijk al actief is wanneer de sleutel in de eerste stand wordt gedraaid, voordat de motor daadwerkelijk start. Want op dat moment kunnen systemen zoals de radio of koplampen al van stroom worden voorzien.
Het gebruik van dit signaal is dus over het algemeen de beste keuze, omdat het ervoor zorgt dat apparaten zonder ECE R10-certificering worden uitgeschakeld zodra het voertuig wordt ingeschakeld, waardoor interferentie met voertuigsystemen wordt voorkomen. Het kan daarentegen echter soms enigszins onhandig zijn. Omdat, als bijvoorbeeld het contact kort wordt aangezet om de elektrische ramen te bedienen, kan de camperinterieur verlichting zonder ECE R10-certificering ook worden uitgeschakeld, wat niet altijd ideaal is in het donker.
Voor het signaal zelf kan dit rechtstreeks van de contactslot worden afgenomen, wat vaak gemakkelijker is bij oudere voertuigen. Aangezien bij nieuwere voertuigen het meestal beter is om de zekeringkast te gebruiken. Daarvoor zijn twee belangrijke methodes:
- Rechtstreeks aansluiten op een signaalpunt in de zekeringkast, wat gedeeltelijke demontage kan vereisen.
- Gebruikmaken van een zekeringsadapter, ook wel een fuse tap of piggyback genoemd.
Een fuse tap is daarentegen doorgaans de eenvoudigste methode. Want een fuse tap kan eenvoudig in een bestaand zekeringsvak geplaatst worden en bevat ook een eigen zekering. De extra draad van de adapter zorgt dan voor het schakelsignaal. Waarbij het voor de zekering, een lage waarde zoals 2A voldoende is voor de kleine signaalstroom. Sowieso is het altijd goed om voor het signaal een zekering te gebruiken.

Om het circuit dan te laten werken, moeten zowel het relais als de Smart Battery Protect ook met de massa van het voertuig verbonden zijn. Dit is meestal het chassis. Omdat zonder een goede massa-aansluiting het circuit niet werkt, omdat er geen gesloten circuit is.
Hoe het juiste signaal te identificeren
Om het juiste signaal te vinden, kan gebruik worden gemaakt van de voertuigdocumentatie, waar de zekeringsposities of andere signaal posities worden beschreven. Zoek dan naar circuits die alleen actief zijn wanneer het contact aan staat.
Als deze informatie niet beschikbaar is, kan een multimeter worden gebruikt:
Begin met het voertuig volledig uitgeschakeld, zonder sleutel in het contact, en meet welke zekeringsposities geen spanning hebben. Steek vervolgens de sleutel erin en meet opnieuw. Draai vervolgens de sleutel naar de eerste stand en controleer welke zekeringen nu spanning vertonen. Meet ten slotte opnieuw met draaiende motor.
Deze stapsgewijze aanpak laat zien welke zekeringsposities alleen actief worden wanneer het contact en of de motor aan staat. Daarbij is het belangrijk om ook te controleren of het signaal weer verdwijnt wanneer het voertuig wordt uitgezet.
Bovendien gebruik hiervoor alleen ongebruikte zekeringsposities, want aftappen van bestaande zekeringsposities kan problemen geven met het voertuig zelf.
Zodra dan het signaal is geïdentificeerd, kan het via een draad naar het relais of de Smart Battery Protect worden geleid.
Overigens is het goed om te weten dat zekeringkasten zich op verschillende plaatsen kunnen bevinden, afhankelijk van het voertuig, zoals in de motorruimte, onder het dashboard, bij de voetenruimte van de bestuurder of in de stoelframe van de bestuurder.
Relaisbedrading voor 12V- en 24V-systemen
Om 12V- of 24V-apparaten te schakelen, is een 5-polig relais nodig. Want een standaard 4-polig relais is normaal gesproken uitgeschakeld en schakelt alleen in wanneer de spoel bekrachtigd is. Aangezien in dit geval het tegenovergestelde gedrag nodig is. Namelijk het circuit moet ingeschakeld zijn wanneer er geen signaal is en uitgeschakeld wanneer het voertuigsignaal aanwezig is. Daarom wordt een 5-polig relais met een normaal gesloten contact gebruikt.
In de standaardstand dus, zonder signaal, laat het relais stroom door naar de niet-R10-apparaten. Wanneer het motorsignaal aanwezig is, activeert het relais en verbreekt het de verbinding, waardoor de stroomtoevoer naar die apparaten wordt onderbroken.
De bedrading is hierbij als volgt:
- Pin 30: aangesloten op de pluspool van de huishoudaccu
- Pin 87a: uitgang naar de zekeringkast voor niet-R10-apparaten, dit is het normaal gesloten contact
- Pin 85 en 86: relaisspoel, de ene aangesloten op het voertuigsignaal, de andere op de min van het voertuig
Dit creëert dan een systeem waarbij niet-gecertificeerde apparaten automatisch worden losgekoppeld wanneer het voertuig draait. Alleen als het relais defect raakt, blijft het doorgaans in de standaardstand staan, wat betekent dat de apparaten van stroom blijven voorzien tijdens het rijden. Hoewel dit niet ideaal is, komt een defect relais zelden voor en is vervanging eenvoudig.
Een bijkomend voordeel is dat van het gebruik van een relais dat het elektrische systeem van de camper volledig gescheiden kan blijven van het elektrische systeem van het voertuig.

Gebruik van een Victron Smart Battery Protect
Een Victron Smart Battery Protect kan bovendien op een vergelijkbare manier worden gebruikt dan alleen een relais.
De pluspool van de huishoudaccu is aangesloten op de ingang van de Victron Smart Battery Protect en de uitgang gaat naar een zekeringkast voor apparaten die geen R10-zekering hebben. De minpool van de Victron Smart Battery Protect is dan aangesloten op de min van de huishoudaccu en kan ook op de min van het voertuig zijn aangesloten indien dat nodig is.
Het schakelsignaal kan daarbij worden aangesloten op de externe ingang (poort L). Deze ingang werkt echter wel door te schakelen naar min. Dat betekent dat het signaal op massapotentiaal moet komen te staan wanneer het voertuig uit staat. Wanneer het contact wordt aangezet en het signaal positief wordt, detecteert de Victron Smart Battery Protect de verandering en schakelt het uit.
Toch is dit gedrag afhankelijk van de elektrische configuratie van het voertuig. Omdat in veel gevallen het signaal van de zekeringkast niet naar min schakelt, waardoor direct gebruik onbetrouwbaar is.
Daarom is het gebruik van een relais om de externe poorten (L en H) aan te sturen doorgaans een betrouwbaardere oplossing. Het relais kan hiermee ook een duidelijke en consistente schakelconditie creëren, onafhankelijk van de bedrading van het voertuig.
Daarmee verbindt en ontkoppelt het relais in deze configuratie de aansturingspoorten van de Smart Battery Protect. Want wanneer er geen voertuigsignaal is, zijn de poorten verbonden en is het systeem ingeschakeld. Wanneer het signaal aanwezig is, schakelt het relais en wordt de verbinding verbroken, waardoor het systeem wordt uitgeschakeld.
Hiervoor is wederom een 5-polig relais nodig.

Alternatieve schakelmethoden
Naast relais en Smart Battery Protect-units zijn er ook andere oplossingen. Zo detecteren sommige systemen spanningsveranderingen in het elektrische systeem. Wanneer de dynamo dan bijvoorbeeld begint met laden en de spanning stijgt, schakelt het systeem bepaalde apparaten automatisch uit.
Hoewel dit kan werken, is het niet altijd betrouwbaar. Omdat moderne voertuigen vaak gebruik maken van slimme dynamo’s die geen constante spanning handhaven, wat kan leiden tot onjuiste detectie.
Zo kan het ook bestaan dat apparaten onbedoeld weer inschakelen of uitgeschakeld blijven terwijl ze weer actief zouden moeten zijn. Daarom is direct schakelen op basis van voertuigsignalen over het algemeen de betrouwbaardere methode.
Schakelen van 230V-apparaten
230 Volt Boiler
Apparaten die op 230V werken en geen ECE R10-certificering hebben, moeten ook tijdens het rijden worden uitgeschakeld. Dit kan op een vergelijkbare manier worden gedaan als bij de 12V met een relais, door een relais te gebruiken dat 230V wisselstroom kan schakelen, aangestuurd door een 12V- of 24V-signaal.
Een andere optie is om de externe schakelingang van een omvormer te gebruiken als die aanwezig is, die vaak toegankelijk is via een kleine connector. Hierdoor kan de omvormer door een relais worden aangestuurd net als de Victron Smart Battery Protect. Hoewel de omvormer de uitgaande stroom dan kan uitschakelen of de uitgaande stroom wordt met een relais uitgeschakeld, in beide situaties moet de omvormer wel ECE R10 gecertificeerd zijn.
Want het is over het algemeen niet aan te raden om de 12V- of 24V-ingang van de omvormer direct te schakelen, omdat dit gepaard gaat met hoge stromen.

Toch is het handiger om een relais aan de 230V-uitgangszijde te plaatsen. Aangezien hierdoor alleen specifieke niet-gecertificeerde apparaten kunnen worden uitgeschakeld, terwijl andere 230V-apparaten operationeel blijven, ervan uitgaande dat de omvormer zelf ECE R10-gecertificeerd is. Op deze manier blijven ECE R10 gecertificeerde 230V apparaten en functies, zoals het opladen van een telefoon via een stopcontact, beschikbaar tijdens het rijden, zonder de ECE R10-eisen te schenden.
Praktisch advies
Bij het bouwen van een camper is dus de eenvoudigste en meest betrouwbare aanpak dan ook door alleen gebruik te maken van R10-gecertificeerde elektrische componenten.
Zo voldoen veel producten van merken zoals Victron daarbij al aan de R10-eisen. Toch voldoen veel andere camper gerelateerde producten hier nog niet aan. Enkel door hier al vroeg in het bouwproces rekening mee te houden, worden er problemen voorkomen later tijdens de inspectie.
Meer inormatie over elektra in een camper
Wil je weten hoe elektra systemen precies werken en fouten voorkomt, bekijk dan de Cursus Camper Bouwen met de subcategorie Elektriciteit. Hierin wordt je onder andere meegenomen in de drie systemen die ook beschreven zijn in ‘Verschillende elektrasystemen voor in een camper‘, waar je op moet letten, welke materialen je gebruikt en een schema hoe je het systeem opzet. Bovendien laat een donatie achter.
Om te weten welke type huishoudaccu voor jouw camper geschikt is, bekijk dan eens het artikel: Welke accusoort is geschikt als huishoudaccu voor in een camper
Dit artikel bevat Affiliate Links. Als je via deze uitgaande links iets koopt ontvangt Sajenn daar een kleine commissie over. De prijs die jij betaalt verandert niet. Op deze manier kan de website onderhouden worden.


Geef een reactie